Obsessieve-compulsieve stoornis

Algemene omschrijving

De obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) is een psychische aandoening die in de DSM-IV-TR is gecategoriseerd als angststoornis. De oude naam van de aandoening is dwangneurose. OCS komt in verschillende vormen voor, maar het meest voorkomende kenmerk is een obsessieve drang om bepaalde handelingen uit te voeren, die rituelen worden genoemd. De OCS-patiënt voert deze handelingen (compulsies) uit als reactie op dwangmatige gedachten (obsessies). Voor anderen lijken deze handelingen overbodig en zij hebben ook geen oog voor de details, maar voor de patiënt zijn deze handelingen van vitaal belang en moeten volgens een bepaald patroon worden uitgevoerd om vermeende nadelige gevolgen te voorkomen. Voorbeelden zijn het zeer vaak controleren of een deur gesloten is of het overmatig vaak wassen van de handen (niet te verwarren met de specifieke smetvrees of mysofobie).

Vroeger dacht men dat OCD veroorzaakt werd door levensomstandigheden, maar er duiken nu steeds meer bewijzen op dat biologische factoren een rol spelen en dat OCD gebonden is aan een afwijking in de werking van de zenuwcelcircuits op specifieke plaatsen in de hersenen.

Kenmerken en diagnose

De symptomen van OCD ontstaan gewoonlijk in het begin van de tienerjaren of de vroege volwassenheid, maar sommige kinderen ontwikkelen de ziekte op jongere leeftijd en zelfs tijdens de middelbare schooljaren. Minstens één derde van de volwassenen met OCD ontwikkelde de ziekte voor de eerste maal tijdens de kinderjaren. OCD kan jaren of zelfs tientallen jaren aanhouden. De symptomen zullen af en toe minder erg zijn en er kunnen zich lange tussenperioden voordoen met lichte symptomen. Voor de meeste personen echter zijn de symptomen blijvend.

Sommige mensen met OCD kunnen ook lijden aan depressie, eetstoornissen, misbruik van een middel, aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) of andere angststoornissen.

Aanpak en therapie

Geneesmiddelen die een invloed hebben op de werkingen van de neurotransmitter serotonine (5-HT) in de hersenen kunnen de symptomen van OCD duidelijk beperken.

Traditionele psychotherapie, met als doel de patiënt te helpen inzicht te verwerven in zijn of haar probleem, biedt meestal geen hulp bij OCD. Een specifieke gedragstherapeutische aanpak die ‘blootstelling en voorkomen van reactie’ wordt genoemd, is echter voor veel mensen doeltreffend. Bij deze aanpak wordt de patiënt opzettelijk en vrijwillig geconfronteerd met het gevreesde voorwerp of idee, ofwel rechtstreeks ofwel in zijn verbeelding. De patiënt wordt tegelijkertijd sterk aangemoedigd om af te zien van het ritueel waarbij de therapeut, en eventueel anderen die hij heeft verzocht hem bij te staan, hem steun en structuur biedt. Naarmate de behandeling vordert, worden de meeste patiënten geleidelijk minder angstig voor de dwanggedachten en zijn ze in staat om aan de dwanghandelingen te weerstaan.
Studies over gedragstherapie voor OCD toonden aan dat het een succesvolle behandeling is voor de meeste patiënten die ze volgen. Een sterke motivatie en een positieve, vastberaden houding van de patiënt dragen hiertoe veel bij. De positieve effecten van gedragstherapie blijven als de behandeling eenmaal is geëindigd. Cognitieve gedragstherapie (CGT) kan doeltreffend zijn voor OCD. Die vorm van gedragstherapie legt de nadruk op het veranderen van de overtuigingen en denkpatronen van de OCD-patiënt.