ADHD

(Attention Deficit Hyperactivity Disorder)
(Aandachtstekort/hyperactiviteitstoornis)


Algemene omschrijving en kenmerken
Het ‘aandachtstekort’ slaat niet op onvoldoende aandacht krijgen. Wel kan iemand met ADHD onvoldoende aandacht schenken aan zijn of haar omgeving. Daardoor is het niet goed mogelijk om de aandacht bij één ding tegelijk te houden (concentratiegebrek). Een ADHD’er wordt snel afgeleid.
Hyperactiviteit kan zich uiten door lichamelijke onrust, maar ook door innerlijke onrust en impulsiviteit. Bij hyperactiviteit kan er ook sprake zijn van overmatige beweeglijkheid. Deze beweeglijkheid is door ADHD’ers vaak moeilijk te onderdrukken.
Impulsiviteit ontstaat doordat te veel indrukken worden gevolgd door bijbehorend handelen. De handelingen moeten direct plaatsvinden en kunnen niet worden uitgesteld. Handelingen die eenmaal in gang zijn gebracht kunnen niet meer worden gestopt en moeten eerst worden afgemaakt. Er kan vaak minder goed onderscheid worden gemaakt tussen belangrijke en minder belangrijke zaken. Bij taken worden dan verkeerde prioriteiten gelegd.

Diagnose
Van ADHD als psychiatrisch syndroom is sprake wanneer:

  • deze gedragingen zich in ernstige mate voordoen,
  • op een manier die afwijkt van de normen die gelden voor leeftijd en geslacht,
  • een herkenbaar en hardnekkig patroon vormen
  • wanneer dat patroon al op jonge leeftijd is begonnen (voor 7 jaar)
  • in meerdere situaties zoals thuis en op school aanwezig is.
  • wanneer het kind daardoor in diens ontwikkeling of functioneren wordt belemmerd. Voorbeelden hiervan zijn vastgelopen opvoedingssituaties, sociaal isolement doordat andere kinderen het drukke kind gaan mijden, leerproblemen, en een laag zelfgevoel door toenemende faalangst.

Het voortdurend reageren op de omgeving en gevolg geven aan impulsen veroorzaakt het kenmerkende drukke gedrag van personen met ADHD.
In het diagnostisch handboek DSM-IV-TR worden drie verschillende types onderscheiden:

  • ADHD-I, het onoplettende type. Dit is het type waarbij vooral sprake is van ernstige en aanhoudende aandachtszwakte (moeite om de aandacht in het hier-en-nu te houden, dromerig type). Dit wordt ook wel het ADD-type genoemd. Deze aanduiding wordt echter sinds de publicatie van DSM-IV formeel niet meer gebruikt;
  • ADHD-H, het hyperactieve en impulsieve type. Hier is vooral sprake van ernstige en aanhoudende impulsiviteit en hyperactiviteit;
  • ADHD-C, het gecombineerde type. Zowel de problemen van het onoplettende als het hyperactieve type zijn aanwezig. Dit type ADHD komt het meeste voor.

Aanpak en therapie
Er is nog geen geneesmiddel of andere behandeling die ADHD geneest. Wel kunnen geneesmiddelen de verschijnselen verminderen. Het doorbreken van de negatieve spiraal in de ontwikkeling van het kind is het leidende principe van interventie.
Medicatie, ingebed in een zorgvuldig systeem van voorlichting en begeleiding en constante opvolging, blijkt bij veel kinderen tijdens de behandelperiode het meest effect te hebben op de drie kernsymptomen. Intensieve gedragstherapie is ook werkzaam en kan, vooral in minder ernstige gevallen, voldoende effect hebben. Als de gedragstherapie na zes maanden nog onvoldoende resultaat heeft gehad, dient een aanvullende behandeling met medicijnen ingesteld te worden.
 

ADHD-medicatie leidt op lange termijn niet tot schadelijke effecten op de ontwikkeling van het brein van kinderen. Bovendien blijkt dat kinderen met ADHD die medicatie gebruiken dezelfde ontwikkeling laten zien in hun gedrag als kinderen met ADHD die geen medicatie gebruiken. Dit blijkt uit onderzoek van hersenonderzoeker Lizanne Schweren van het Universitair Medisch Centrum Groningen.